18-03-1916 Hellevoetsluis - 01-04-2008 Driebergen

Mijn naam is Ruurd Das. Ik ben vernoemd naar de schuilnaam van mijn vader tijdens WOII. Zijn roepnaam was Henk, maar alle mensen die hem tijdens de oorlog hadden leren kennen noemden hem Ruurd, een Friese naam waarvan hij zelf altijd gezegd heeft niet te weten hoe hij eraan kwam. Hij is overleden in Driebergen waar hij de laatste weken van zijn leven verbleef. Hij woonde in Maarn, samen met mijn moeder, Teuntje Vermeulen; zij was geboren op 26-09-1925 en is op 09-07-2011 overleden in een hospice in IJsselstein. Mijn ouders zouden op 17-06-2008, 60 jaar getrouwd zijn geweest maar door het overlijden van pa hebben ze dat net niet gehaald.

 

Vanaf april 1942 is hij bij het verzet tegen de Duitsers betrokken geraakt. In maart 1943 moest hij onderduiken, o.m. bij de legendarische Oma uit Zeist (mevrouw Sepers-Bos). Op 11 november 1943 werd hij benoemd tot provinciaal leider van de LO in de provincie Utrecht, een functie die hij, als een van de weinigen onder de provinciale leiders,  zou bekleden tot de bevrijding. Vanaf September 1944 was hij tevens leider van de CID in de stad Utrecht. Het zenuwcentrum daarvan was gevestigd aan de Brigittenstraat 20 in Utrecht en was in verzetskringen bekend als het Klooster. Ook is hij enige tijd lid geweest van de staf van de KP in Utrecht. Na de oorlog is hij 22 jaar directeur voor de provincie Utrecht geweest van de Stichting 1940-1945. Dit werk moest hij in 1969 neerleggen vanwege -wat we tegenwoordig zouden noemen- PTSS.


Bezoek van prins Bernhard aan het Klooster in begin juni 1945. Mijn vader staat rechts van de prins. (Foto beschikbaar gesteld uit privécollectie Ruurd Das)

A.G. Das, is mijn vaders broer, mijn oom Anton. Hij is eind 1946  gestorven aan de gevolgen van in de oorlog opgelopen TBC. Hij zat ook in het verzet, was districtleider van de LO in Utrecht en werd op 20-10-1943 t.g.v. de overval in Hoorn  op de provinciale Beursvergadering gearresteerd.


In de tijd dat pa het Klooster bestierde had hij de beschikking over een aantal koeriersters onder wie 2 van zijn zussen, Henny en Joke. Mijn moeder, Teuntje Vermeulen koerierde ook, maar of dat voor mijn vader was, weet ik niet. Pa sprak vaak over de oorlog, mede als gevolg van mijn nieuwsgierige vragen en zijn regelmatige overspannenheid; bij ons thuis was de oorlog nooit ver weg. Mijn moeder was veel minder mededeelzaam over haar verzetsdaden, wat dat betreft stond zij een beetje in de  schaduw van pa.  Toen de oorlog uitbrak was zij 15 jaar. Toen 16 was verloofde ze zich met pa, die 9 jaar ouder was. Aan het einde van de oorlog was zij 19 jaar. Na het overlijden van pa kwam zij eigenlijk pas met verhalen over da avonturen die zij als koerierster had beleefd. Zij verdient een plaats op het Neerlandsch Verzetsmonument.


De verzetsmensen van het eerste uur hadden met elkaar afgesproken dat zij na de oorlog geen onderscheidingen zouden accepteren. Mede daardoor is van hun levensgevaarlijk werk veel onbekend gebleven. Ik ben momenteel bezig te proberen een biografie over mijn vader te doen schrijven. Ik beschik over vrij veel materiaal, maar als er mensen zijn die iets over het verzetsverleden van pa weten, houd ik me van harte aanbevolen. Om het plan voor een biografie handen en voeten te geven wordt volgende week een stichting door mij opgericht genaamd: Stichting Non Obliviscemur, dat is Latijn voor 'Wij zullen niet vergeten'.


Getuigenis aangeleverd op 24-09-2017 door Ruurd Das

Doosjen, Knipschild, Oudhof, Stellaard


De vier mannen op bijgaande foto die ik aantrof in de nalatenschap van mijn vader, Hendrik Anthoon Das [zie ook getuigenis] maakten op gruwelijke wijze kennis met de handelwijze van de Landwacht.

Ik citeer Tineke Spaans-van der Bijl in haar voortreffelijke boek “Utrecht in Verzet” | 2e druk 2005, pag. 293 (de schuilnamen heb ik zelf toegevoegd):

“Het gevaarlijke werk van de knokploegen kostte steeds meer leden het leven. Op  27 september 1944 waren Henny Knipschild (Kleine Henk), Henk Doosjen (André), Teunis Oudhof (Theus) en Peter Stellaard (Lange Piet) per auto op weg naar Loenen toen zij tussen Maarssen en Breukelen een controlepost van de Landwacht gewaar werden. Omdat het viertal wapens bij zich had, schoten zij een zijweg in om aanhouding te vermijden. De landwachters zetten de achtervolging in, waarbij ze zich oriënteerden op de bandensporen die hun voorligger in het natte zandweggetje achterliet. In de buurt van ‘de Olifant’ werden de vier achterhaald en hun wapens ontdekt. Met hun voeten werden zij aan de achterzijde van de auto vastgebonden en een eindweegs over de weg gesleept alvorens aan de SD te worden uitgeleverd. Diezelfde avond werden zij in Fort de Bilt gefusilleerd.”


Aan hun voeten voortgesleept achter een auto, nog diezelfde avond doodgeschoten………… het is eigenlijk te vreselijk voor woorden!


vlnr: Hendrikus Augustinus Knipschild (20-04-1914 Utrecht), Hendrik Egbert Doosjen (18-12-1919 Utrecht), Teunis Otto Oudhof (27-03-1920 Westerbork), Pieter Stephanus Maria Stellaard (29-03-1914 Hilversum), allen omgebracht op 27-09-1944 te Utrecht. (Fotofragmenten beschikbaar gesteld uit privécollectie Ruurd Das)



Getuigenis aangeleverd op 01-10-2017 door Ruurd Das

Deze vier verzetsstrijders zijn op het Neerlandsch Verzetsmonument aanwezig, voorzien van verscheidene bronnen.



Arie Bernardus (Jo) Goud

16-10-1921 Den Haag - 14-12-1986 Den Haag

 

Lydia Winkel verwijst daar naar de naam van de Drukkerij die toen luidde: Electrische Drukkerij A. Goud.

Drukkerij Goud is opgericht in 1905 door Arie Goud (mijn overgrootvader). Zijn vrouw was Pieternelle Enters (1869-1949). Deze Arie Goud was oprichter en naamgever van de drukkerij maar overleed voor 1940.

Het bedrijf is dus voortgezet, eerst door zijn vrouw en later door zoon Johan Hendrik Goud (1894-1961) en weer later door diens zoon Arie Bernardus Goud (1921-1986), mijn vader.

Jo en Arie Goud (vader en zoon) waren beide drukkers van het illegale Parool, maar ook neef Wim Duk (1918-2012) was daarbij betrokken. Verschillende dames (leeftijdgenoten van mijn vader Arie Goud en neef Wim Duk) die elkaar kenden via een Haagse handbalvereniging, waren betrokken bij de lokale verspreiding van het gedrukte Parool, waaronder mijn tante Jannie Goud, mijn moeder Ali Huijgen en Jopie Varkevisser (later getrouwd met Wim Duk) Jo Goud (mijn grootvader) moet het besluit genomen hebben om aan de illegale pers deel te nemen. Hij was ook degene die sprak met Simon

Carmiggelt, de contactpersoon. Ik heb ook wel eens gehoord dat er voor het Parool ook nog een ander blad werd gedrukt maar dat weet ik niet precies meer.

Na een inval, begin 1944, hebben Jo (J.H.) Goud en Wim Duk in de Scheveningse gevangenis gezeten. Mijn vader Arie was niet op de drukkerij vanwege opleiding en kon, na gewaarschuwd te zijn, nog net onderduiken in Leiden bij zijn grootouders.

In het boek over het Parool 1940-1945 (Madelon de Keizer) staat mijn grootvader Jo Goud genoemd bij het 2e paroolproces. Neef Wim Duk heeft in zijn boek 'Eindverslag' (2007) een hoofdstuk gewijd aan het werken bij Oom Jo en aan zijn verblijf in de Scheveningse gevangenis. Tot op de dag van vandaag is het bij de familie niet bekend geworden waarom Jo Goud en Wim Duk beide (bij gebrek aan bewijs) later vanuit Scheveningen zijn vrijgelaten.

Feit is wel dat het illegale Parool ook bij Drukkerij Goud in Den Haag werd gedrukt en net zoals in Amsterdam op een Johannesberger pers. Dat alles goed werd verstopt blijkt wel uit het feit dat wij nooit 1 gedrukt exemplaar meer hebben kunnen zien. Zelf een parool dat na de oorlog bij het verplaatsen van de pers te voorschijn kwam werd niet meer bewaard. (Zal wel doordrenkt met olie geweest zijn). Vermoedelijke vanwege het feit dat de onverwachte vrijlating zo onduidelijk is gebleven heeft men nooit erg 'te koop' gelopen met het illegale werk, maar dat is mijn interpretatie. Ook werden er 'fouten' gemaakt door de politie. De zaak werd niet goed verzegeld en 's nachts wist familie het zetsel dat zelfs nog op de pers stond 'weg te maken' zoals dat onder drukkers genoemd wordt. Het zetsel werd keurig terug in de zetkasten gestopt. Later onderzoek leverde geen bewijs meer op.


Getuigenis aangeleverd door Jeroen Goud - Leiden

 



Johannes Jacobus Hendrikx

Naar mijn mening is de term “verzetsstrijder” in sommige gevallen niet toereikend om de betekenis van iemand die aan het verzet heeft deelgenomen, te omschrijven. “Verzetsheld” zou dan een veel juistere benaming zijn. Een verzetsheld is volgens mij een verzetsman of –vrouw van uitzonderlijk formaat, iemand van de garnituur van Frits de Zwerver of Tante Riek. Pioniers die uit het niets iets wisten te creeëren en anderen te enthousiasmeren. Wat eerder genoemde personen hebben betekend voor het “protestantse verzet boven de grote rivieren” [refererend naar voorgaande getuigenissen van mijn hand] betekende Ambrosius n.m.m. voor het “katholieke verzet onder de grote rivieren”.


Als Johannes Jacobus Hendrikx werd hij op 2 februari 1917 te Venlo geboren als jongste in een goed katholiek gezin, dat 6 kinderen telde, als Ambrosius [zijn schuilnaam] stierf hij begin februari 1945 op nauwelijks 27 jarige leeftijd van uitputting tijdens het transport dat hem van het concentratiekamp Sachsenhausen naar het concentratiekamp Neuengamme had moeten brengen. Al in 1940 begon deze onderwijzer aan een ULO te Venlo met de hulp aan ontvluchte Franse krijgsgevangenen. In 1941/1942 raakte hij betrokken bij de hulp aan joden. Daardoor kwam hij in contact met de LO, waar zijn ster snel rees. Pater L. Bleys en kapelaan Jac. Naus waren in het voorjaar van 1943 in Limburg begonnen met illegale activiteiten, die door Ambrosius werden uitgebouwd en ondergebracht bij de LO. Hij werd provinciaal leider van de LO-Limburg, interprovinciaal leider voor de drie zuidelijke provincies voor die organisatie en lid van de LO-top.


Ambrosius werd op 21 juni 1944 gearresteerd tijdens een vergadering van de LO-Limburg in het pensionaat St. Louis in Weert. Acht leden van de LO –onder wie ook kapelaan Naus- werden opgepakt en gevangen gezet in het concentratiekamp Vught. Vandaar uit werd Ambrosius overgebracht naar Sachsenhausen. De arrestaties waren het gevolg van verraad door verzetsman Bob Jesse die, na zelf gearresteerd te zijn, onder onmenselijk zware druk van de SD had doorgeslagen. Na de oorlog heeft de Bijzondere Raad van Cassatie hem wegens overmacht ontslagen van rechtsvervolging.


Ambrosius was een charismatisch man. Op 13 augustus 1946 werd mijn vader Henk (Ruurd) Das voor Het Grote Gebod geínterviewd door Ad Goede, één van de auteurs van dat standaardwerk. Over Ambrosius zegt mijn vader onder meer het volgende:

“Ambrosius was een principieele kerel. Hij droeg een vies boordje, ongepoetste schoenen, slordige kleding. Hij sliep overal en nergens. Hij verzorgde zich helemaal niet, hij leek een of andere landloper, maar als hij eenmaal begon, dan was het af. Op de vergaderingen zie ik hem nog voor mij zitten. Ambrosius luisterde maar. Hij had voor iedereen een willig oor. Hij was zeldzaam scherp van geest, een jonge kerel, een jaar jonger dan ik, de leidinggevende van het Zuiden. Hij was een kerel om nooit te vergeten”. “Toen hij op de top kwam, is de zaak in het Zuiden weer goed geregeld. Hij was een man, die buitengewoon veel ijver aan de dag legde, of het Limburg, Brabant of Zeeland betrof. Hij was zeldzaam geliefd, de koeriers gingen voor hem door het vuur. Een buitengewoon prettige kerel, innemend, rustig, vastberaden, melancholiek.”


Op het internet valt te lezen:


“De herdenking van Jan “Ambrosius” Hendrikx was ronduit groots. Behalve met postuum toegekende onderscheidingen werd hij herdacht met straatnamen, op gedenktekens en met publicaties. Opvallend ware de grote warmte en bewondering die uit de herdenking van de grootste illegale werker van Limburg spraken. Hendrikx had een onvergetelijke indruk achtergelaten bij hen die met hem hadden samengewerkt in de illegaliteit” (bron).


Wie het register van schuilnamen uit Het Grote Gebod raadpleegt, ziet dat Ambrosius op meer dan 60 bladzijden voorkomt. Bij KB van 7 mei 1946 werd aan Ambrosius het Verzetskruis 1940-1945 verleend.


Getuigenis aangeleverd op 04-11-2017 door Ruurd Das

(Portretfoto beschikbaar gesteld uit privécollectie Ruurd Das)



 Martin Andries de Jong

1890 Breda - 19-10-1942 Auschwitz


 

nog in uitvoering -

 

 

 



Cornelia Sepers-Bos

10-02-1882 Haarlemmermeer - 20-01-1960 Zeist


In zijn boek ‘Vrouwen in het Verzet 1940-1945’ heeft Jan Hof volkomen terecht een hoofdstuk gewijd aan Cornelia Johanna Sepers-Bos, roepnaam Kee (1882-1960). De titel van het hoofdstuk luidt: “De Onvergetelijke Verzetsoma uit Zeist”. Te lezen valt hoe een van oorsprong boerendochter, in 1929 op haar 47e weduwe wordt en alleen de zorg voor haar 9 kinderen krijgt. Ze woont dan in Zeist; als de oorlog uitbreekt is haar adres Van Renesselaan 70, een adres dat in verzetskringen bijna mythische betekenis krijgt.

Van Renesselaan 70 in Zeist, omstreeks 1943/4: Staand (v.l.n.r.) een dochter van oma (?) en Van de Waal. Zittend 'Hugo' (zeer waarschijnlijk), Ruurd Das, Frank Verduijn en oma Sepers. (Foto fragment beschikbaar gesteld uit privécollectie Ruurd Das)

Als in 1943 haar laatste kind het ouderlijk huis verlaten heeft, vraagt een plaatselijk verzetsman of Kee enige tijd een kamer heeft voor een goede kennis van hem, die moet onderduiken. Die kennis is de LO-leider van Zuid-Holland, Teus van Vliet, verzetsnaam Hugo. Naast Hugo vinden Gerrit Jan van de Waal [zie ook getuigenis Gerrit Jan van de Waal] (een belangrijk verbindingsman van Hugo, verzetsnaam Mees) en (in september 1943) de districtsleider van de LO van de stad Utrecht, Hendrik Das [zie ook getuigenis Hendrik Anthoon Das] bij oma onderdak. De laatste, die maar korte tijd bij oma zou verblijven, is in april 1944 nog steeds bij haar te vinden. Op 11 november wordt hij tijdens een vergadering op zijn onderduikadres  benoemd tot provinciaal leider van de LO, als opvolger van Cary Stomp

 

Op woensdagavonden komen de districtleiders uit de provincies bij oma bijeen. Oma is van huis uit aan grote gezinnen gewend en regeert het zooitje ongeregeld met stalen vuist in fluwelen handschoen. Zij woont alle vergaderingen bij, niets ontgaat haar maar zij heeft een wacht voor haar lippen.

 

De dubbele woning aan de Van Renesselaan 70 heeft ogenschijnlijk één nadeel: nummer 72 is gevorderd door de Duitsers ten behoeve van de Kriegsmarine. Tegenover de daar verblijvende manschappen speelt oma de onnozele vrouw, die ze absoluut niet is. Ze brengt, wanneer ze voor haar illegale gasten pannekoeken bakt, ook haar buren er een paar van. Niets zo veilig de plaats waar je vijand je het minst verwacht: in de buurwoning, aan de andere kant van de gemeenschappelijke muur.


Oma Sepers (Foto beschikbaar gesteld uit privécollectie Ruurd Das)


Er zijn veel anekdotes over oma bekend: hoe grote hoeveelheden bonkaarten, inlegvellen voor distributiestamkaarten, Ausweisen, ja zelfs wapentuig en een compleet bevolkingsregister van een kleine gemeente in haar huis een veilig onderkomen vonden. Ook haar grote voorliefde voor ‘Zwarte Betten’, een kaartspelletje, waarvoor zij desnoods haar gasten uit hun welverdiende slaap haalde als er niet voldoende deelnemers wakker waren, verdient vermelding.

 

Kee Sepers overlijdt in 1960, 78 jaar oud.  Zij was een geweldige verzetsvrouw.



Getuigenis aangeleverd op 30-09-2017 door Ruurd Das


De volgende verzetsstrijders die wel in het boek van Jan Hof in het hoofdstuk over Cornelia Sepers-Bos worden vermeld, maar nog niet voorkwamen op het Neerlandsch Verzetsmonument zijn Dirk Bos; p.92, Toos Bos-Sepers; p.93, Dolf Edelman; p.89, Wim Groenendijk; p.85, Nico Kuipers; p.94


    

Gerrit Jan (Mees) van de Waal

05-12-1904 Rhenen - 05-05-2010 Gouda


Elke getuigenis over-, is een eerbetoon aan de desbetreffende persoon. Deze getuigenis is een eerbetoon aan Gerrit Jan van de Waal, wiens schuilnaam in WOII “Mees” was.


Toen Nederland in mei 1940 bij die oorlog betrokken raakte, was Mees “al” 35 jaar, sinds 1932  gehuwd en vader. Zijn huwelijk en vaderschap beletten hem niet actief te gaan deelnemen aan het verzet, omdat hij het onrecht dat de joodse Nederlanders werd aangedaan, niet kon verdragen. Al vroeg nam hij deel aan vergaderingen van de LO. Hij werd assistent van “Hugo” (Teus van Vliet) met wie hij - evenals “Ruurd” [zie ook getuigenis Hendrik Anthoon Das] - geruime tijd ondergedoken was bij “Oma” (Cornelia Sepers-Bos), wier huis aan de Van Renesselaan 70 te Zeist wel is aangeduid als “de kinderkamer van de jonge (LO) organisatie in Zuid-Holland.”  Hij werd voor de LO districtsleider in Rotterdam, Den Haag en die provincie.

Mees was een keurige verschijning, zeer gesteld op decorum. Hij was ook een verdienstelijk (amateur)dichter, die zijn verzen “gedichtsels” noemde. In 1943 schreef hij het gedicht “Voorwaarts Vaderland” dat in het Geuzenliedboek werd opgenomen.


In januari 1945 werd hij in het ziekenhuis Zuidwal clandestien geopereerd aan een liesbreuk. Tijdens zijn verblijf daar kreeg hij een exemplaar van het illegale blad “Je Maintiendrai”onder ogen. Daarin verhaalde G.J. van Heuven Goedhart (“Blake”), de latere hoofdredacteur van Het Parool, over zijn moeilijke overtocht via Spanje naar Engeland. Tijdens die overtocht had hij zichzelf bij herhaling aangemoedigd met de kreet “Voorwaarts Vaderland”, de eerste woorden waarmee elk van de 6 coupletten van Mees’ gedicht beginnen. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis hoorde Mees van een vriend dat bij een dropping in de buurt van Berkel-Rodenrijs in een container een pakketje was aangetroffen met een groot aantal kopieën van een privé-foto van koningin Wilhelmina, met onder de foto het eigenhandig door de koningin geschreven 4e couplet van “Voorwaarts Vaderland”.


Exemplaar van een kopie van een privé-foto van koningin Wilhelmina met onderschrift (Fotofragment beschikbaar gesteld uit privécollectie Ruurd Das)

Mees werd twee keer door de SD gearresteerd, in Den Haag en Dordrecht. Beide keren wist hij te ontsnappen.


Over Mees zijn veel anekdotes, deels vastgelegd in Het Grote Gebod. De mooiste is misschien wel die, waaruit blijkt dat zijn koerierster “Clara” (mevrouw J. Grandia-Smits) Mees steevast aanduidde/aansprak als “het stomme dier”.


Na de oorlog werd Mees rechercheur bij de Politieke Recherche, afd. Collaboratie. Kroonprins Willem-Alexander bracht hem op 5  december 2009 een bezoek om hem te feliciteren met zijn met zijn 105e verjaardag. Hij stierf op Bevrijdingsdag 2010.

Getuigenis aangeleverd op 18-10-2017 door Ruurd Das




László Weiss

05-02-1902 Budapest - 26-03-1945 Bergen-Belsen

 

Mijn grootvader, László Weiss werd op 05-01-1902 geboren te Budapest. Hij was zoon van Joseph Weiss, koopman van beroep, getrouwd met Ilona Ujhelyi. Ook al ken ik mijn opa slechts van zwart-wit foto’s en een geschilderd zelfportret, toch heb ik een visuele beschrijving van hem omtrent zijn uiterlijk. Hij was 1.74m lang, had donkerbruin haar en grijs-blauwe ogen.

 

In de maand april 1943 bood László onderdak aan een Jodin, Liselotte Stiebl (of Stiebel), die zich daar ruim een jaar heeft kunnen schuilhouden.

 

László gebruikte zijn artiestennaam Roland als schuilnaam bij het verzet, als zijnde contactpersoon voor mensen die moesten onderduiken. Hij was toen werkzaam en te vinden bij de Amsterdamse bioscopen, zo verklaarde mijn oma Gertrud later in een brief aan instanties.

 

Samengevat, beiden zijn tijdens de bezetting actief gebleven op de arbeidsmarkt, gebruik makende van hun talenten op gebied van werk, als mede natuurlijk de perfecte beheersing van de Duitse taal. Hierbij opgemerkt dat László als Hongaar, perfect Duits sprak en schreef.

 

Op zaterdagmorgen 3 juni 1944 werd László opgepakt samen met de ondergedoken Liselotte. László werd gearresteerd wegens ‘Judenbegunstigung’. Gertrud zou evenwel worden gearresteerd als zij geen kinderen zou hebben gehad.

Na een maand te zijn opgesloten in politiebureau aan de Euterpenstraat te Amsterdam, werd László op 6 juli ’44 als Schutzhäftling met kampnr.10531 afgevoerd  naar kamp Vught. Wat er met Liselotte is gebeurd is thans onbekend maar is vermoedelijk via Westerbork afgevoerd richting de concentratiekampen.

 

Op Dolle Dinsdag werd László afgevoerd naar kamp Sachsenhausen waar hij werd gerigistreerd op 8 september '44 als zijnde Hongaar, beroep kunstschilder.

Volgens officiële bronnen is László vermoedelijk op het laatste transport uit Sachsenhausen, februari '45 uiteindelijk overgebracht naar kamp Bergen-Belsen. Stichting 1940/45 bevestigt middels een schrijven dat hij aldaar een maand later is overleden op 26 maart 1945 om 7 uur 's ochtends aan de gevolgen van vlektyfus.



Getuigenis aangeleverd door kleinzoon Dimitri Gazan

(Lees meer hierover in De Roland Courant)